Van de kloof en het rif. Verder in West Australië.

Maart 2013: We waren gebleven in Kalgoorlie, de outback van West Australië. Die outback was een van de redenen om naar het westen te komen. En er ligt ons nog heel wat van deze leegte te wachten! Al die outback grenst hier aan de westkant vrijwel direct aan de zee; met daarin onder andere het werelderfgoed en sublieme natuurspot/duik/snorkel-spots Shark Bay en Ningaloo Reef. Forse afstanden scheiden hier elke bestemming van de andere: snel op pad dus!

Alleen plaatjes kijken?

De komende twee dagen hebben we geen navigatie nodig; we rijden westwaarts naast de 600 kilometer bovengrondse waterleiding van Kalgoorlie tot net voor Perth. Aangelegd in de jaren 90 een eeuw geleden om de heel snel ontstaande goudsteden in de outback van vers water te voorzien. Een serieus staaltje engineering; een hele serie pompstations zorgen dat dat water blijft stromen van de kust naar Kalgoorlie; 556 kilometer verderop en 400 meter hoger! Tot de pijplijn gebruikten ze in al die goudzoekerskampen grote verdampingsovens om het zoute water wat er uit de grond komt om te vormen tot een drinkbaar goedje, maar op een gegeven moment is al het brandbaars om die ovens te voeden wel gekapt (nog steeds is er rondom geen van die oude goudzoekdorpen/steden een serieus volwassen boom te vinden). Her en der in oude pompstations is een museumpje ingericht, waarvan we er bij eentje ‘zelf de deur maar op slot moesten doen als we klaar waren, ik ga naar huis’. Welkom op het platteland zeg maar ;-).

Om de weg naar het westen te vinden zouden we ook de wolken kunnen volgen. In de over het algemeen strakblauwe lucht tekent zich al een paar dagen een imposant wolkensysteem af. In het midwesten van de staat is cycloon Rusty aan land gekomen en precies langs de onderrand van de regen en wind die hij met zich meeneemt rijden wij nu. Zo dichtbij dat we het weerbericht op de radio zo precies kunnen controleren, zonder zelf enige last te hebben van wind/regen of ander naars. Toch… gepaste afstand houden maar.

Eerste stop langs de kust is de Pinnacles Desert, die we bezoeken bij zonsondergang. Goeie keus; de duizenden kleine kalkstenen pilaartjes die hier de woestijn uit-eroderen (waarom en hoe precies is nog een geologisch vraagteken) zien er geweldig uit in dat late licht. En de vrijwel volle maan die ons de weg op helpt ‘savonds terug is om in te lijsten!

De afstanden zijn langzaam aan fors aan het worden tussen bestemmingen in, en de hoeveelheid sights ertussenin nemen snel af. Een hele serie kleine vissersdorpjes vormt zich tot een blur van zon, zee en zand (en vis) de komende week. Tot we een kleine 1000 kilometer verder aankomen in Kalbarri. Daar staan we een paar dagen precies naast de plek waar de Murchison-rivier in de zee stroomt; heerlijk water om lekker in te dobberen, stelletje vaste gast-pelikanen en superverse fish and chips van vissoorten waar we nog nooit van hoorden ;-). 

Die Murchison-rivier heeft de afgelopen miljoen jaar ook een aantal hele mooie kloven uitgesleten hier vlakbij. En ook al is het nog steeds ruim boven de 35 graden hier; we hebben allebei een hoed ondertussen, vergeten niet onze slippers om te ruilen voor de serieuzewandelschoenendiezogoedstaanondereenkortebroek en dragen genoeg water bij ons; die gorges gaan we in! Foto’s hier, hier en hier….

We rijden noordelijker en meer en meer de leegte in. 413 kilometer van die leegte verderop ligt Shell Beach. Een strand van bijna een kilometer lang, geheel bestaand uit de schelpen van maar 1 zeedier. De ondiepe zee en de hoge zoutegraad van het water zorgen dat er al duizenden jaren maar (vrijwel) 1 diertje leeft. Diens schelp spoelt al die jaren hier al aan. Dat schelpendek wat zo ontstond is een meter of 9 diep! Dan een klein stukje verder naar Monkey Mia. Een nogal gek genaamde plek, geen aap te bekennen namelijk (zowiezo niet in Australië), wel heel veel dolfijnen. En op die dolfijnen komen haaien af; vandaar dat de hele baai hier Shark Bay heet, een stuk toepasselijker naam.

Waarom dan wel Monkey Mia? Mia is Aboriginal voor schuilplaats, en Monkey komt waarschijnlijk van de huisdieren (aapjes) van Maleisische parelvissers die hier in de 19e eeuw de kust afvoeren. Of van het schip de Monkey, wat hier in 1834 aanmeerde. Whatever.

Er komen hier al een jaar of 30 elke ochtend een heel aantal dolfijnen richting het strand. Dat werd nogal een toeristsche attractie en er kwamen dagelijks honderden mensen op af (bizar eigenlijk, want nogal in de middle of nowhere hier) en was uiteindelijk niet goed meer, voor dolfijn en mens. Nu is er een heel onderzoekscentrum omheen gebouwd en worden er maar een paar dolfijnen per dag gevoerd met allerlei strikte regels; allemaal een stuk wetenschappelijk verantwoorder, zonder overigens al die toeristen af te schrikken. ‘Balans’ zeg maar. Goed, die dolfijnen hangen dus elke ochtend ff rond, ontvangen hun visje en gaan dan weer weg. Tja. Maar goed; een dolfijn is een te gek beest, en er eentje van dichtbij zien is leuk. En aangezien er hier soms wel 15 tegelijkertijd komen aan zwemmen melden ook wij ons om 0730 s’ochtends braaf de komende vier dagen. Ik voer er zelfs nog eentje…(filmpje!)

We gaan hier ook twee middagen het water op voor wat natuurlijker ontmoetingen (en voor wat verkoeling; het is hier nu al een paar dagen boven de 40 graden). Een van de zeldzaamste grote zeedieren is de dugong. En laat die nou in deze ondiepe baai het zeegras afgrazen! Op zoek dus! Maar goed, ook al heeft zo’n beest de maat van een flinke pony, hij komt amper boven water en de baai is ongeveer zo groot als Amsterdam + ZuidOost, dus ons geduld wordt op de proef gesteld. Gelukkig is de andere zeefauna gul met hun verschijningen en worden we tijdens het dugong zoeken getrakteerd op talloze dolfijnen, schildpadden, roggen en haaien. Lekkere middagjes zo op die catamaran. En, op de tweede middag gelukkig ook nog een dugong! En nee, geen foto. Wel eentje van een emu. Die stond tenminste stil.

We blijven aan de kust; 600 kilometer verderop ligt Coral Bay. Dat dorp is niet meer dan een tweetal campings, een duikschool en een benzinepomp. Goed maar dat het ons vooral gaat om wat er vóór Coral Bay in het water ligt; het Ningaloo Reef. Ruim driehonderd kilometer lang, van hier tot aan Exmouth en vrijwel overal op zwemafstand van de kust, is het een van de meest toegankelijke riffen ter wereld. In heel goede staat nog vanwege de afzondering hier; een heel divers rif met veel kleine en grote vissen/dieren (en zodoende ook beschermd als UNESCO-werelderfgoed). Snorkelen en duiken dus!

Voor de kust van Coral Bay snorkelen we twee middagen in de drift die ons een meter of 300 voor de kust langs voert en gaan we een dagje duiken. Prachtige grote koralen hier, niet heel fel gekleurd op een meter of 10 diep, maar wel heel divers en erg bewoond. Veel vissen, groot en klein, en onder andere door een forse loggerhead turtle die heel eigenwijs zijn hoofd onder zijn rots vandaan steekt. Veronique snorkelde boven ons en hield ons in de gaten.

Bij een snorkel tijdens lunchtijd worden we dan beloond met een echte moneyshot; een forse manta (achteraf hoorden we 4 meter spanwijdte (was vooral heel veel zand wat omhoog kwam ;-))) draait zich in het water voor ons omhoog en toont zijn onderbuik voor ie zijn voedselspeurtocht voortzet. Tweede duik van de dag doen we tegen de rand van het rif aan. Een duik langs een koraalmuur tegen een forse stroming in voor we ons zigzaggend door een heel stel koolvormige koralen van wel 10 meter hoog langzaam terug laten voeren. Naast weer heel veel vis en veel koralen dit keer ook twee grijze rifhaaien. En dat was toch mooi voor het eerst een haai die we in het wild zagen! Een meter of 3 lang piepen ze ineens over de muur heen en zwemmen langzaam over ons heen. Blij komen we na bijna 50 minuten boven om te horen dat de snorkelaars maar liefst drie haaien zagen, en ook nog een heel stel schildpadden….. Dit rif is echt geweldig! En aangezien de warmte blijft aanhouden is in de buurt van water zijn heel geen slecht idee. Een dag rijden boven Coral Bay ligt de noordelijke punt van het rif. We kamperen er ruim een week aan het strand in het nationale park, een kilometer of 80 buiten Exmouth. Het park is nog heel rustig, zo ver buiten het hoogseizoen; we hebben de stranden en het rif vrijwel voor onszelf. De kampeerplekken in het nationale park liggen allemaal aan strandjes die direct toegang geven tot het rif. Oftewel naar bed gaan na een  geweldige zonsondergang, wakker worden door een duik in kristalhelder water op plekken met namen als Turquoise Bay terwijl het wildlife om je bus heen scharrelt….. Als de koelkast niet leeg raakte zouden we nog wel wat langer kunnen blijven dan die anderhalve week! In Exmouth zelf blijven we nog een paar dagen, vullen al onze voorraden weer bij en duiken we nog twee dagen. Ik maak van de gelegenheid gebruik om een serie ‘adventure-dives’ te doen en haal zo mijn Advanced Open Water-bewijs (diploma B zeg maar ;-)). Dat zal aan de oostkust op het Great Barrier Reef vast nog wel van pas komen.

En dan nemen we, met pijn in ons hart, afscheid van het water….dit is voorlopig het laatste water wat we kunnen ‘bezwemmen’, de komende weken zijn we in het binnenland en noordelijker aan de kust is het tropische water voor de zoutwaterkrokodillen.

Bekijk alle foto’s hier.

 

Heb je een mening? Of opmerkingen?