Tasmanië – Naar Hobart!

St Helens – Mt. Wellington, Hobart – (1250 km, 10 dagen)

Een azuurblauwe zee, lege, uitgestrekte en hagelwitte stranden gescheiden door met oranje mossen beklede rotsblokken. We zijn in de Bay of Fires en geloven direct alle claims die hier gemaakt worden over dat dit een van werelds mooiste stranden is. De baai hier werd zo genoemd door een kapitein die in 1773 de vuren van de Aboriginal bewoners op het strand zag. BridportEn die feloranje mossen op de rotsen hier allemaal zouden zomaar een tweede naamverklaring kunnen opleveren. Wat een geweldige plek! BlauwGistermiddag kwamen we hier aan en reden een heel stuk langs en door de kleine baaitjes tot we een geschikte kampeerplek vonden.
Direct aan het strand en zover van alles af dat we genoten van een pikdonkere nacht met waanzinnig veel sterren.
Het is nog een tikje winderig wel, maar: ontbijten doen we gewoon lekker buiten, de zon is weer terug! Na een goeie dag nog genoten te hebben van de zee en wandelingen hier gaan we weer richting de stad; tijd voor wat maintenance aan de bus.
De alternator van de bus doet raar en hij is ook toe aan een grote beurt (het was ook maar 27000 km sinds zijn laatste). Daarvoor moeten we helaas wel terug richting Launceston, de Toyota-garage daar kan ons helpen en garages?, die zijn dun gezaaid hier op Tasmanië. Ennuh; vanochtend  hadden we een ontbijt in de zon aan het strand toch? Onderweg naar Launceston rijden we door Ben Lomond National Park, waar mensen nog wat laatste afdalingen in de sneeuw aan het doen zijn! Een eiland vol verrassingen nogal. Aangekomen in Launceston maken we een rondje door de stad, bezoeken we de moderne kunst-collectie en maken we een uitgebreide wandeling door de Tamar Wetlands, een uniek broedgebied voor duizenden trekvogels net buiten de stad. Genoeg vogels hier inderdaad. De bus wordt voor een rib uit ons lijf voor een laatste keer gefixed en we zijn in de middag weer onderweg; we rijden zuidelijk naar ‘historic’ Campbelltown en draaien linksaf de heuvels weer in. Ook leuk weer; geen weilanden of heuvels zoals de afgelopen dagen, maar weer bossen met eucalyptus. En kangaroos! Die mistten we al een tijdje… Uiteindelijk slapen we bij Lake Leake, een groot drinkwatermeer dat een dubbelrol heeft als vis/pensioneringsoord. Een avondje bij het vuur van de buren gevuld met sterke vis- en reisverhalen.

Het Freycinet-schiereiland is de volgende stop. Een van de meest gefotografeerde plekken van Tasmanië ligt hier; Wineglass Bay. Een baai met een hagelwit strand, azuurblauwe zee en een kromming als ja, inderdaad, een wijnglas. Die baai is echter niet om de hoek, de wandeling naar het uitkijkpunt is al een stevige klim van anderhalf uur. Daar aangekomen is de lucht helaas wel bewolkt…wat dat hele diep blauw wat verduistert. Ach, we hebben onze boterhammen bij ons en alle tijd; we wachten gewoon op een heldere lucht! En ja hoor, dat werd beloond. Een onvergetelijk uitzicht! We schieten een hele serie foto’s voor we het uitkijkpunt afwandelen naar het strand. Ik moet natuurlijk een duik nemen op dit top-10 strand van de wereld (koud!!) en we genieten van het squeaken van het zand. Vervolgens wandelen we naar de andere kant van het ishtmus, waar het volstrekt ander weer is! Helemaal gezandstraald en gescrubbed door de keiharde wind, het opwaaiende zand en onder de vlekken schuim van de zee lopen we de paar kilometer terug over de Hazards op weg naar de aan onszelf beloofde dikke (lokale) biefstuk!

Wineglass Bay

Nog veel meer natuur de volgende dag: een hele berg zeeleeuwen vanaf een uitkijkpunt tijdens onze ochtendwandeling naar de vuurtoren en tijdens de koffiestop aan zee worden we verrast op een groepje langs de kustlijn patrouillerende dolfijnen die een showtje opvoeren. Vervolgens ook nog mosselen en oesters, op een bordje tijdens de lunch, bij een kraampje langs de weg.

Dagje rijden verderop komen we na een overnachting in Nubeena achter de veteranenclub (de RSL, een in veel plaatsen aanwezig clubhuis voor veteranen; mannen onder elkaar, veel rechtse praat en schouder-gesla, maar vaak ook (bijna-) gratis kamperen en eten), aan bij Cape Raoul, op het puntje van het Tasman Peninsula; mooie kliffen en rotspartijen waarop het volgens de plaatjes ook altijd mooi weer is! Nee hoor. Vanaf meter 100 van de 17000 die we moeten lopen regent het; zo heel zachtjes en zonder ophouden. Maar ach. Een heerlijke wandeling over de kliffen naar de zee. Cape RaoulVolgens het boek bij de entree waren we één van de eersten die deze wandeling deden dit voorjaar. En dat verklaart dus ook alle begroeiing over het pad. Her en der vogels en wat wallaby’s, maar verder eigenlijk alleen het geruis van de wind door de bomen en het gerommel van de zee ergens in de verte.
Een echt ‘wow’-moment als we, na ruim ruim een uur in dicht bos omhoog gelopen te hebben zonder een uitzicht, zomaar ineens op de rand van de klif blijken staan. We blijken een meter of 250 gestegen te zijn en zijn gearriveerd op de klifrand die hier loodrecht boven de ruige zee uittorent. Flarden mist stijgen uit de diepte omhoog en heel soms komt een glimpje zonlicht door de wolken heen om de nogal typische rotswand uit te lichten. Wow dus. Dat maakt dat hele doorweekt zijn ineens helemaal goed! Links voor ons zien we de kaap de zee insteken. Heel uitnodigende wandeling? Nou nee. Maar we gaan hem toch doen! We wandelen dus ook de 4 kilometer naar het puntje toe. Een tikje fris zo nat in de wind zonder bescherming van de bomen en op het einde ook niet persé een mooier uitzicht dan eerder, maar een stuk bevredigender wel, met onze rooie koppies helemaal op de punt te staan! Enige minpuntje is dat we nu vanavond wel een échte camping nodig hebben; eentje met een wasdroger om al die lagen doorweektheid te wassen en te drogen… Dat zal dan voor het eerst zijn hier op het eiland, prima ‘vrij kamperen’ hier namelijk.

Maar goed, die echte camping is er in Port Arthur. Logisch, want deze plek trekt veel mensen en is zelfs de grootste trekpleister van het eiland. Gelegen op een schiereilandje was dit van 1830 tot 1877 de woonplaats van duizenden gevangenen uit voornamelijk Engeland en Ierland. Begonnen als werkkamp waar in primitieve omstandigheden hout hakken in combinatie met zweepslagen je straf was, werd het al heel snel een plek waar geëxperimenteerd werd met verschillende, nogal dubieuze, manieren van psychologische straffen. Als eerste al de keuze van de plek: nu het verlaten is, ligt het er hier zeer idyllisch bij, maar toen? Grenzend aan die woeste zee (met erin haaien), via een strookje land van nèt 30 meter breed (waar uitgehongerde honden aan lange kettingen de wacht hielden) aan het vasteland verbonden en daar direct achter de nog nooit bedwongen wildernis van Tasmanië (met erin Tasmaanse tijgers). Maar ook de layout van de gevangenis was helemaal gericht op mentale onderdrukking. Port ArthurDe zogeheten Separate Prison; waar de gevangenen afgezonderd in kleine cellen verbleven, vaak met een muts over hun hoofd en afgesloten van geluid, was specifiek gebouwd om contemplatie over de gepleegde misdaad te stimuleren, maar leidde in veel gevallen tot waanzin en zelfs zelfmoord bij de bewoners. En de plek heeft nog meer pijnlijke geschiedenis: in 1996 werden er 35 mensen neergeschoten door een verwarde man (die actie markeerde de introductie van de strakke wapenwetgeving in Australië). NB: het verleden op dit eiland is sowieso verre van brandschoon: de onderdrukking van Aboriginals was hier tot in perfectie doorgevoerd, de originele bevolking van het eiland, onderverdeeld in verschillende stammen, is in minder dan 100 jaar volledig uitgeroeid. De laatste volbloed Aboriginal, een vrouw genaamd Truganini, overleed na bijna 40 jaar gevangenschap op 64 jarige leeftijd in 1876 (en is daarna nog tot 1947 tentoongesteld geweest in een museum).

Tegen een achtergrond van bos, met een prachtige zee ervoor met twee eilandjes erin en een zonnetje erboven is dat pijnlijke verleden moeilijk te bevatten. De gevangenisgebouwen, de kerk en woningen van cipiers en ander personeel zijn deels hersteld, en blijven deels als ruïne staan…. maar op genoeg plekken wordt je via bordjes aan de oorspronkelijke functie herinnert, soms met bloedstollende en altijd waargebeurde verhalen. Zeker als we een bijna feestelijk boottochtje maken en het hele complex van zee af bekijken, zorgt dat voor een gekke mengeling van gevoelens (over feest gesproken; check deze Tasmaanse jaren ’70 interpretatie van visbuffet eens..).

We zijn genoodzaakt het duiken hier voor de kust (zeeleeuwen, kelpforest, haaien, koud!) te laten wat het is wegens de ruwe zee, en rijden na een wandeling langs de Waterfall Bay het schiereiland af: we passeren bij Eagle Hawk Neck de dogline, de hierboven al genoemde rij waakhonden die de 30 meter brede toegangsweg naar het eiland onpasseerbaar maakten; nu staan ze in ijzer gegoten, maar nog steeds afschrikwekkend! We kijken ernaar terwijl we het ondertussen bijna traditionele voor-de-kas-van-de-vrijwillige brandweer-gebbqde-broodje-worst verorberen. Dit keer gratis gekregen bij de plaatselijke bushfire-preventie lezing, die wij aanzagen voor de lokale markt ;-). We rijden nu dwars door gebied wat nog geen jaar geleden enorm getroffen is door bushfires: de hekken zijn, te zien aan de gele bordjes, door BlazeAid al weer netjes neergezet, de natuur heeft nog iets langer nodig. Zwarte stronken nog overal en je ruikt de brand nog in de lucht hangen. We draaien naar het westen en volgen de kustlijn (met her en der een vrij bizar soort erosie; Tessellated pavement) een nieuw schiereiland op; aankomen in Hobart, waar we nu wel langs schurken, stellen we nog 1 dagje uit! Want, dit zouden wel eens onze laatste dagen aan de kust kunnen zijn en verknocht aan zee dat we zijn, willen we daar nog even van genieten! In Kettering kijken we even naar de boot naar Bruny Island, maar blijven bij ons besluit om op het vaste land te blijven. Randalls BayDeze punt van Tasmanië is heel schaars bewoond en ook al herbergt elke bocht hier een baaitje waar wel een paar huizen of fish-sheds staan, genieten we heel privé van elk uitzicht! We overnachten aan de westkant van het schiereiland in Cygnet, met uitzicht op de ondoordringbare wildernis van het Southwest National Park. We naderen de volgende ochtend Hobart, het virtuele eindpunt van onze trip, via Mount Wellington aan de westkant van de stad. En tja, làngs een berg rijden is ook zo wat: die moet beklommen! Mt. Wellington torent hoog boven Hobart uit, en beschermt de stad en de haven tegen tè alpien weer. Aan de westkant van de berg is ook helemaal niets dan de westelijke wildernis tot aan de zee. Het uitzicht richt zich ook op de oostkant: de stad en het peninsula. Naar dat uitzicht kunnen we gelukkig met het busje; ook al heeft die er wat moeite mee. Hobart - view from Mt. WellingtonOp die berg kan het sowieso flink spoken, en ook zomers soms sneeuwen, maar nu pakten we echt een restje winter mee. De laatste twee kilometer rijden we door de sneeuw en regen en de wind is heel fors hier.

En het uitzicht op ons einddoel is ook vrijwel de hele tijd in nevelen gehuld; dus nee, heel prettig vertoeven was het dus niet op de berg! Maar, bij een spaarzaam gat in de bewolking even wat mijmerend naar beneden gekeken en stilgestaan bij dit mooie moment. Op een heel andere manier dan een kleine anderhalf jaar geleden gedacht, maar uiteindelijk zijn we in Hobart gearriveerd! Nou ja, ìn; we moeten nog een kilometer of tien naar beneden!

 

Heb je een mening? Of opmerkingen?