Northern Territory – Deel 1, het Zuiden

Lake Argyle – Alice Springs (3114 km, 7 dagen) – Halverwege april waren we in het rode centrum van Australië…. Yep, daar waar die grote rots staat (alleen foto’s kijken?).

Na een paar dagen lummelen uitrusten in Lake Argyle op de rand van Western Australie (zie vorige verslag) zijn we klaar voor de volgende staat; het Northern Territory. De jongste en minst bevolkte staat, met de oudste geschiedenis en landschappen van het land! De eerste 500 kilometer in die staat leveren weinig hoofdbrekens op. De enige weg die we kunnen nemen brengt ons van Lake Argyle naar Katherine. En dat rijden we in één dag, want er is niet veel om voor te stoppen. Katherine is de eerste ‘serieuze’ plaats sinds we Broome verlieten, en dat betekent groots inkopen doen, wassen, naar de garage voor verse banden etc.. Katherine ligt op de Stuart Highway. Dat is de snelweg door het midden van Australie, die Darwin en Port Augusta met elkaar ‘verbind’ over het pad wat de ‘ontdekker’ John Stuart nam in de 1860’s toen ie als eerste Europeaan het continent van zuid naar noord overstak.

Route NT - deel 1.

Al een tijdje vragen we ons af: gaan we vanaf hier eerst rechts? Naar het zuiden voor Alice Springs, met daarom heen onder andere de must-sees Ayer’s Rock, Kings Canyon en de Olga’s. Of eerst naar links? Het tropische noorden in, naar Darwin en de evengoed must-see parken Litchfield en Kakadu. Uiteindelijk hoeven we geen dobbelsteen te gooien om de volgorde te bepalen; die keuze maakte de natuur voor ons. Door de aanhoudende wet in het Noorden zijn een aantal van de mooie plekken in de parken nog gesloten. Eerst het zuiden dus!
Dat betekent dat we de komende dagen ‘The Track’ volgen. Het is 1250 kilometer naar Alice Springs, en daarvandaan nog een kleine 500 binnendoor richting Ayer’s Rock. of; de Aboriginal naam waarbij je hem eigenlijk moet noemen Uluru. Flinke stukken dus: maar, dan zijn we wel echt midden in het Red Centre! Eerste stop is al na een klein uurtje; de Bitter Springs bij Mataranka. Extreem blauw water komt met een temperatuur van 34 graden (yep, afkoelen is er niet bij dus) de grond uit en stroomt door een met palmen omringde beek. De weg ernaartoe is op een paar plekken overstroomd; zal dus wel weer een bord staan dat er geen toegang is vanwege krokodillengevaar. Zeker nu, zo net na de wet staan heel veel poelen en watertjes nog met elkaar in verbinding en is het lastig voor de locals om track te houden op waar de krokodillen zitten. Maar nee, geen borden, en een heel gezin met malse kindertjes zit al ongedeerd in het water… Zwembroeken aan en erin! Voor het eerst sinds het lijkt wel maanden (maar is eerder weken) weer water in het wild waar we iets mee kunnen! We laten ons een paar keer door de stroming mee afvoeren voor we in het zonnetje opdrogen en weer op pad gaan.
We besluiten de dag in weer tweehonderd kilometer verderop in Daly Waters, een echte must-do op deze weg. Een kilometer of drie van de snelweg af ligt dit minidorpje, wat zijn bestaan dankt, net als eigenlijk vrijwel alle dorpen hier, aan een in de 19e eeuw gebouwd herhaalstation van de grote telegraaflijn vanuit Alice Springs naar het noorden. Maar zijn voortbestaan nu eigenlijk alleen nog dankt aan de al die jaren al aanwezige pub. Al open sinds 1893 (de oudste kroeg van het NT), met naast geweldig koud bier een hele fijne beef/barramundi-barbeque. En dat komt goed uit, want we hebben allebei geen zin om te koken. En kamperen kan op het grasveld ernaast.
De dag erop rijden we officieel de tropen uit en de outback in. Paar kleine dorpen passeren we onderweg naar wat ons einddoel van vandaag blijkt te zijn; de Devils Marbles. Al 1640 miljoen jaar (!!) aan het eroderen hier. Een forse plak graniet kreeg ooit barsten, breekt in stukken en de wind slijt de losse stukken af op de hoeken tot de ronde rotsen die er nu liggen. Alsof een reus er zijn knikkerzak heeft leeggekiept ooit; zo liggen deze rotsen erbij. Niet alleen geologisch interessant, maar een hele belangrijke Aboriginal plek ook. In hun vertellingen zijn de stenen de eieren van de Rainbow Serpent, één van de hoofdrolspelers in de Dreamtime-verhalen (de oorsprong-vertellingen van de Aboriginals). Veel van hun ‘songlines’, verhalen die zich op routes door het land afspelen, gaan over deze plek heen.
Indrukwekkende plek dus en zeker in het avondzonnetje en het maanlicht een geweldig gezicht! Voordeel van die grote leegte hier; de sterrenhemels zijn werkelijk weergaloos. Hier helemaal; met het silhouette van de rotsen ervoor om je een beetje houvast voor schaal te geven!
De volgende dag komen we door Wycliffe Wells, niet veel meer dan een benzinestation en een camping, maar alles aan die twee doet zijn best om de naam UFO-hoofdstad van Australië te verdienen. Aan de hoeveelheid knipsels die in het benzinestation aan de muur geplakt zijn hebben we de verklaring voor alle vallende sterren die Veronique de afgelopen dagen zag te pakken!
Weer 400 kilometer verder, en op het laatste beetje brandstof rijden we de kloof tussen de East- en West MacDonnell-ranges door Alice Springs binnen. Na honderden kilometers vlak landschap en kaarsrechte wegen even wennen aan terugschakelen en bochten draaien. En oh wacht, een stoplicht ook! En verder is Alice Springs niet een heel boeiende stad; ooit ontstaan rondom een telegraafstation (en genoemd naar de vrouw van de operator) en sinds de jaren ’70 vooral de springplank voor toeristen richting voornamelijk Uluru. Wat eigenlijk best bizar is, aangezien die rots daar ruim 500 kilometer vandaan ligt. Maar goed, alle tanks vullen, voorraden aanvullen etc; een dag met alles doen wat je doet als je in de ‘bewoonde wereld’ komt. De komende week zijn we in het Red Centre en hebben we een heel aantal zaken te bekijken!
Die MacDonnell-ranges waarin dit allemaal ligt zijn een keten van extreem oude, en dus niet (meer) heel hoge, maar wel erg serieus aandoende heuvels. Rood en paars opgloeiend in de felle zon, met niet veel meer dan mallee (een klein boompje) en spinifex (hard gras) als begroeiing en op gezette momenten door eeuwen water of wind gespleten om een kloofje (de Standley Chasm van 80 meter hoog maar maar een meter of drie breed bijvoorbeeld) of enorme kloven te vormen (zoals de Ormiston Gorge waar we maar liefst 2.5 uur over deden om doorheen te wandelen). Je voelt echt overal hier dat je heel even te gast bent in een heel oud landschap.
Met het gehuil van dingo’s op de achtergrond overnachten we bij die Ormiston Gorge. Goed slapen, de volgende ochtend wachten 250 kilometer onverharde weg (de Meerenie Loop road) op ons. En de mening over of dat nou alleen voor 4WD of ook tweewiel-aangedreven een goeie keus is verschillen nogal, ook hier op de kampeerplek. Nou ja, we haalden onze vergunning (het is een weg over Aboriginal land) en we zien wel hoe de weg er aan toe is. We hebben geen zin in gedoe met de bus uiteraard, maar het afsnijden van maar liefst 250 kilometer is wel wat waard.
De eerste 70 kilometer vanaf de gorge is al grotendeels onverhard, en redelijk bumpy. Genoeg te zien gelukkig om even voor te stoppen en de naschuddende botjes tot rust te laten komen. Zo is er al snel een mooie lookout richting Mt. Sonder, met 1400 meter een van de hoogste pieken van de Range. En, een kilometer of 40 verderop is er eentje naar Tnorala (Gosse Bluff). In het verder vlakke land valt de rode kraterrand van Tnorala nogal op. 140 miljoen jaar geleden sloeg hier een meteoriet in. De krater die je nu nog ziet, met een diameter van 5 kilometer, lag oorspronkelijk 2 kilometer beneden het oppervlakte. Op dat oppervlak werd een gat geslagen van maar liefst 20 kilometer doorsnede. Moet een aardige klap zijn geweest.
Al aardig door elkaar geschud komen we aan bij de Red Centre way; rechtsaf begint de Mereenieloop. We leggen onze vergunning goed in het zicht, maken nog een fotootje van het mooie asfalt waar we nu heel even op staan en ‘we’re off’. De komende 120 kilometer mogen we overigens alleen bij noodgeval onze auto uit (de vergunning is voor de doorreis, de grond hier is verboden terrein voor ons blijkbaar). En, uiteindelijk valt het goed mee. Kijk, 120 kilometer onverhard is sowieso niet heel comfortabel, en er zaten zeker hele stukken wasbord/ruig wegdek in, maar dit was goed te doen. De bus (en wij) zitten wel weer van buiten én binnen onder het rode stof……
We arriveren begin van de middag bij Kings Canyon. Rond half drie vinden we het genoeg afgekoeld voor de ‘rim-walk’, een 7 kilometer lange wandeling bovenlangs de canyon. Die duurt een kleine 4 uur, we hopen erop dat we hem iets sneller doen, anders lopen we in het donker naar beneden straks… Het venijn zit hem direct in het begin…ruim 100 meter omhoog! En fors steil ook. Nog net niet afgekoeld genoeg hiervoor ;-). Maar, heel veel anderen zijn er niet (meer nu), dus we kunnen lekker op ons eigen tempo doorlopen. Wat een geweldige plek is dit. Elke stap die je zet verandert het uitzicht wat je bijna de hele tijd hebt óp of ín de kloof. Miljoenen jaren erosie zorgde op sommige plekken voor heel bizarre bijna bijenkorf-achtige vormen, op andere plekken leek het alsof iemand met een grote zaag blokken wegzaagde en op weer andere plekken, tja… lijkt het wel alsof iemand maar wat deed op boetseerles. En regelmatig lukt het een boom om op zo’n randje te balanceren. We hebben ook een mooi moment uitgezocht om deze plek te bezoeken, want de late middagzon speelt mooi met het rood, geel en paars van de stenen hier. Een klein extra wandelingetje met wat sprongetjes over andere scheuren in de kloof brengt ons op Cotterill’s lookout, waar we een voorschotje nemen op wat komen gaat. We kijken hier een meter of 100 naar beneden de Garden of Eden in. Aan het einde van de kloof, als we met de trap naar de overkant moeten om langs de andere kant weer terug te lopen kunnen we ook een wandelingetje de kloof ín nemen. We lopen tussen de red river gums door naar die Garden waar ik het net over had, een uniek stukje natuur hier. Een altijd natte plek, want gevoed door een bron, in een superdroge omgeving. En, naast dat het een mooie plek is om te bekijken is het ook een hele fijne plek om een duikje te nemen! Ververst lopen we de laatste kilometers. De zon gaat langzaam onder en we zien de canyon langzaam in het donker verdwijnen.
Op de kaart van Australië lijkt het hier in het centrum allemaal dichtbij elkaar te liggen (of eigenlijk zelfs één bestemming te zijn)…. maar nee hoor.
Maar liefst 400 km verderop ligt ons doel voor de dag erop: Kata Tjuta-Uluru National Park. Dus we gooien de bus nog ff vol (en betalen maar liefst de recordprijs van 2.26 dollar per liter!), poetsen de voorruit extra goed en kijken de bandjes even na.
Eerste wat we tegenkomen is Mt Connor: de berg die iedereen aanziet voor het einddoel Uluru. Toch even de foto gemaakt; het is namelijk best een heel mooi plaatje! Die middag gaan de wandelschoenen weer aan! De enige kampeerplek hier ligt een kilometer of 20 buiten de poorten van het park (deze regio (niet alleen de berg zelf) heeft een hele speciale betekenis voor de traditionele eigenaren van het land, en alle toeristische randverschijnselen (hotels, camping, helicopterdek, winkels, benzinestation) drukten deze betekenis wel heel erg weg. Dus het stadje ligt nu een stuk buiten het park, onzichtbaar vanaf de berg schijnt).

Maar; Uluru is voor ons morgen pas; vandaag staat in het teken van de buurvrouwen van de rots, de Olga’s (of Kata-Tjuta wat de officiële Aboriginal naam is).
We lopen hier de Valley of the Winds-wandeling. Een kleine 4 uur lopen, nu eens niet door gorgewanden maar torenhoge rotsen omringd. Prachtig, en weer zo laat op de dag dat we in ons eentje liepen hier. Heel stil dus ook. Aan het einde van de dag stoppen we voor de zonsondergang achter de Olga’s, en genieten met een schuin oog al een beetje van diezelfde gebeurtenis bij de grote broer; Uluru.
Over die toeristische randverschijnselen gesproken, de volgende ochtend is het raak. We hebben de wekker staan, maar werden al eerder wakker van alle startende auto’s om ons heen. De zonsopkomst bij Uluru, zo’n echte must-see. En dus staan we om 0600 uur in de file het park in. Dit moet wel een van de meest toeristische dingen zijn die we ooit deden. Het is al een beetje licht als we uiteindelijk parkeren maar de zon piept nog niet over de rand heen. En dat is waar het hele spektakel om gaat; die eerste zonnestralen die de schaduwen trekken over de inhammen en kloven van de rots. En tja, ook al waren we meer onder de indruk gisteren van de zonsondergang, het moet gezegd; de zon die die rots langzaam aan verlicht en je wel 100 stadia van zwart naar violet naar paars naar roodheid laat zie is best heel indrukwekkend.
Na de broodnodige koffie sluiten we aan bij een wandeling met een van de rangers. Hij waarschuwde een ouwehoer te zijn, en dat we hoogstwaarschijnlijk niet op tijd terug zouden zijn, maar het woord ouwehoeren is te onvriendelijk voor de enorme stroom informatie die hij over ons heenstortte. Hij vertelt niet alleen over de natuur die we zien, en de ontstaansgeschiedenis van Uluru als bezienswaardigheid, maar ook waarom hij niet alles kan vertellen over de verhalen en songlines die door de rots en het park lopen bijvoorbeeld (informatie die je ‘moet verdienen’), over waarom Uluru een heilige plek is en wat dat dan betekent. Over het waarom liever niet beklimmen van de rots (waarbij het niet alleen, maar wel het belangrijkst, om respect voor andermans gebruiken/regels gaat). Met ons hoofd vol onvergetelijke beelden en informatie verlaten we in de middag het park en zetten we met frisse tegenzin weer koers naar Alice Springs… Wat een speciale plek laten we achter ons!

2 thoughts on “Northern Territory – Deel 1, het Zuiden

  1. Grandioos de Kings canyon en dan de Uluru,we kregen er een donderbui met veel wind de glazen en tafeltjes van de aanwezige gasten waaiden weg, we deden het uit de hand, de wandeling om Uluru was indrukwekkend, en daarna een kangeroo steak in Alicesprings, de bootraces nog gezien op de droge rivier?
    Een goede overtocht gehad naar Hobart dus niet met de zeilrace meegedaan.
    groet Hilly en Jan.

Heb je een mening? Of opmerkingen?