Hobart – Cradle Mountain

Hobart – Cradle Mountain (1230 km, 8 dagen)

In Hobart aangekomen dus, het ‘eindpunt’ van onze trip. Maar, we hebben nog een hele westkust van Tasmanië te gaan. En deze stad zelf! Onze dagen hier staan, na al die tijd in de natuur te hebben doorgebracht, in het teken van eten én kunst!

Zo genieten we in de Tasmanian Museum and Art Gallery onder andere van de prachtige landschappen van Tasmaanse schilder Philip Wolfhagen. Abstract maar, (ook al zijn we hier pas een paar weken) toch echt goed herkenbaar als Tasmaans in kleuren én gevoel. We genieten op biologische wijze van alles wat het Tasmaanse land en zee te bieden heeft bij (het helaas intussen gesloten) Garagistes en worden uitstekend verwend door Stu, de eigenaar van The Quartermasters Arms die in ons de ideale proefkonijnen ziet om zijn nieuwe kaart op uit te testen (Frietjes met een dip van espresso en kaas? Of een heel zachte cheddar met rode vruchtensoepje erover? Of een triple-creambrie met kersen en nacho’s? Wij draaien er ons mes en vork niet voor om).

Maar, hetgeen ons altijd bij zal blijven van Hobart is ons bezoek aan het Mona. Dit Museum of Old and New Art is een privémuseum net buiten de stad. De eigenaar omschrijft zijn museum, wat de grootste privécollectie kunst in Australië herbergt, als een ‘subversief Disneyland voor volwassenen’. Deze man, David Walsh, verdiende zijn fortuin met gokken en wordt verguist en bewonderd in de kunstwereld vanwege zijn branie en onorthodoxe aanpak. Misschien wel omdat hij, zoals hij zelf zegt, zich een beetje schaamt voor zijn rijkdom, besloot hij om zijn omvangrijke kunstcollectie te delen met het publiek. In zijn wijngaard liet hij voor 100 miljoen dollar, op de plek van een eerdere vrij traditionele gallery, een nieuw museum hakken. Hakken? Ja, want het nieuwe museum ligt helemaal onder de grond, in een grote rots aan de oevers van de Derwent. De entree van het museum is in een vrij traditioneel pandje, en heeft gewoon kassa’s en een garderobe en een winkeltje etc. Maar daar eenmaal voorbij is het heel snel gedaan met de ‘normaalheid’. In het midden van de entreehal leidt een zwarte marmeren wenteltrap je naar het donkere onbekende beneden. Een meter of 20 dieper ben je gewend aan het veranderende licht en heb je het gevoel alsof je in een mijnschacht bent afgedaald, of misschien wel een piramide bent binnengegaan.
De muren hier zijn ruw, de ankers die deze uitgeholde rots overeind houden steken er nog uit. Vanaf de laatste treden zie je ineens de enorme hal waarin je bent terecht gekomen; iedereen houdt er even van in. Een enorme grot voor je en daarin zijn, in een soort zwevende constructies, drie verdiepingen gehangen. Die worden weer opgedeeld door gordijnen, tussenwanden of glas; je bent snel vergeten hoe het gebouw in elkaar steekt en verliest dus alle begrip voor ruimte. Behalve dat het heel groot is. En jij eigenlijk heel klein.

In die ruimtes de werken; tientallen stuks, in veel gevallen overdonderend qua grootse aanpak, of vanwege de uitvoering. Maar soms ook vanwege de gewaagdheid, of onbeschaamdheid. En, die vrijwel allemaal iets met het thema leven of dood te maken hebben.

Zo zit ik wel een half uur op de grond te staren naar DATA.MATRIX van Ryoji Ikeda, een projectie van zeker 30 bij 10 meter van langs-scrollende data, vergezeld van een keihard afgespeelde ambient soundtrack; of kijken we met open mond (niet door je neus ademen ook) naar Wim Delvoye’s Cloaca Professional; een kamergrootte combinatie van slachthuis, scheikundelokaal en moleculair koken waarin de werking van de ingewanden worden nagebootst. Twee keer per dag krijgt de installatie te eten, ter plekke bereidt door een medewerker, en tweemaal daags scheidt ‘het’ het afval ook weer af (‘Feeding times are 11am and 4pm. Pooping time is 2pm.’). Niet het meest fris ruikende kunstwerk.

Een ruimte verderop, Jan Fabre’s ‘Zelfportret als worm‘ waarin de kunstenaar zichzelf afbeeldt als een meterslange worm op een begraafplaats met 470 grafstenen van dode grootheden. Of weer iets verder, de enorme installatie ‘Kuba’ van de Turkse kunstenaar Kutlug Ataman; 40 mini-huiskamertjes met van die makkelijke, en overduidelijk ook ouderwetse stoelen en schemerlampjes, waar inwoners van een Turks plattelandsdorp op de televisie vertellen over de alledaagse beslommeringen van hun leven daar. Maar ook spreken over liefde, dood, familie en hun wensen. Om daarna direct door te wandelen naar een hypermoderne ‘knuffelruimte’ waarin vertoond op iPads inwoners van een dorp in Californië hún leven beschrijven.

En waarbij je snel merkt dat, ook al is het contrast tussen Oost en West, of arm en rijk, erg groot, de grote levensvragen állemaal hetzelfde zijn (en heel vaak onbeantwoord blijven).

En dat dan afgewisseld met kleine kunstwerken, van soms wel duizenden jaren geleden (een nagebouwde tombe waarin een Egyptisch dodenmasker te zien is) of videokunst van Pipilotti Rist. Vaak is de bedoeling van de kunst hier niet zo ineens te begrijpen, en dat is ook niet allemaal nodig. We vinden het geweldig en indrukwekkend, en moeilijk tegelijkertijd. Zoals het eigenlijk hoort. Wat een kado! En nog voer om dagen over te praten onderweg.


En, dat komt wel prima uit: we rijden namelijk een paar honderd kilometer door de Great Western Wilderness aan de westkant van Tasmanië; zonder echt te hoeven opletten. We komen niemand tegen in dit geweldige stuk natuur; er wordt ook amper gewoond in die ondoordringbare Wildernis, links en rechts van ons. In het allesbehalve Irakees aandoende Bagdad (dit keer geen lokaal mini-museum om de naam toe te lichten), maken we de verplichte foto. En in Mt. Field National park, waar de sneeuw nog op de toppen ligt, zien we niet alleen de nogal forse Russell falls, maar ook de Horseshoe en Lady Barronfalls en nemen we ook nog het Tall Trees-circuit mee (yep, ‘Tall’ als in bijna 90 (!!) meter hoge bomen: swamp gums). We hiken er naar het glasheldere Lake St. Clair, heerlijk dat het buiten het seizoen is, met niemand anders op de anders zo drukke trail.

Het bos hier lijkt onoverwinnelijk; de lucht is fris, de bomen groeien tot op de weg en de bergen hier zijn zo steil dat het regelmatig net is of je tegen een muur van groen aanrijdt. Onderwijl de milieubeweging bedankend dat ze in de jaren 70 een succesvolle strijd voerden tegen de aanleg van nòg een stuwmeer, wat heel deze regio onder water zou hebben gezet. En dat overweldigende gevoel van natuur houden we tot we met een snelle afdaling, via een hele serie haarspelden, Queenstown inrijden. Ineens is al dat groen weg! Geen watervallen, geen bomen meer. Hier is de berg kaal. Desolaat. Helemaal afgegraven. Yep, een mijn weer. En niet zomaar eentje schijnbaar. Een van de grootste mineralenmijnen van de staat is hier al meer dan 100 jaar in gebruik. ‘Laat bijna geen sporen achter, de mijnbouw’ horen we vaak in de mijnstadjes. Behalve dan dat grote litteken midden in de stad. Maar ook een hele serie gebouwen die goed laten zien dat dit dorp nogal wat rijkdom kende… we kennen het ondertussen wel; brede straten, veel bakstenen gebouwen; mooie oude pub, postoffice en winkelstraat. 46 bochtige kilometers later rijden we Strahan binnen. Strahan is echt zo’n end of line-plaats. Er komen over de weg kan pas sinds een jaar of 80, eerder was het alleen toegankelijk vanaf het water. Of nou ja, toegankelijk; blijkbaar is de opening naar de grote baai hier nogal lastig te navigeren; Hell’s gates heet het niet voor niets. Maar, als je dan binnen was, kwam  je in een hele grote baai die gevuld wordt door de King en de Gordon rivers. En die baai was ook het eindpunt van al het gekapte hout uit de bergen hieromheen. Dat dreef toen via de rivieren de bergen uit, maar het enige wat hier nu drijft zijn de rondvaartboten; Strahan ‘drijft’ op toerisme tegenwoordig. Net als gisteren is goed te zien dat deze stad welvarend was. Het postkantoor/customs-gebouw is bijvoorbeeld zo’n echt ontzag inboezemend Brits koloniaal gebouw. En de houtzagerij die nu voor toeristen nog wat planken doormidden zaagt is nog helemaal in oude staat zonder museaal te zijn.

We rijden nu door het onderste puntje van de Tarkine. Dat gebied is minimaal even ruig als de Western Wilderness hieronder. En niet alleen de bomen hier zijn nogal gewild (overigens om er pulp van te draaien om spaanplaat etc. van te maken..), maar er ligt ook van alles onder de grond aan mineralen. De kopermijnen in Queenstown waren al niet te missen, hier hebben de tin en zinkmijnen forse kraters geslagen en worden eens in de zoveel jaar heropend. Zeehan, waar we al na 40 kilometer arriveren, was soort van het centrum van al die mijnactiviteit. In de hoogtijdagen in de vorige eeuw waren hier 27 pubs, 10.000 inwoners en een eigen aandelenbeurs. Ook hier overigens is de zinkmijn weer ge-heropend, en ook al doet het West Coast Heritage Museum (in een complex met onder andere de Gaiety, in 1898 één van de modernste en grootste theaters ter wereld!) zijn best om die geschiedenis te laten herleven; de huidige mijnactiviteiten hebben niet voor een her-opleving van het stadje gezorgd. Een dorpje vol afbladderende houten huizen met minimaal één verroeste auto in de tuin en gesloten milkbars is het nu. Maar, we lopen wel bijna een ochtend in het tikje gedateerde maar wel erg informatieve museum rond. En ook al is het er steenkoud; we leren meer over de 150 jaar oude geschiedenis van deze regio dan we voor mogelijk hielden dat interessant zou zijn.

De volgende dagen? De Montezuma Falls; deze waterval, te bereiken via een 3 uur durende hike over een oude spoorlijn, is de hoogste van Tasmanië met maar liefst 104 meter. En met al die neerslag van de afgelopen tijd ook een van de hardst vallende! En de dag erop komen we in Stanley aan, aan de noordkant van Tasmanie, en zien we de zee weer. Stanley is bekend vanwege de Nut; een enorme taart van rots op een landtong die nog net vast zit aan het vasteland. Na wat scones in het dorp zijn we klaar voor een rondje westkust. Waar het landschap de afgelopen dagen nog ruig en ondoordringbaar was heeft de mens het hier overduidelijk gewonnen: weilanden vol koeien en schapen in strak gelid, zover je kan zien. Her en der nog een plukje bomen wat vrijwel tevergeefs probeert de wind tegen te houden, maar dat is het dan ook wel wat natuur betreft. Tot we in Arthur River aankomen, ook wel the Edge of the World genoemd. Hier, op de breedtegraad die vanwege de heel stevige weersomstandigheden, ook wel de roaring forties wordt genoemd, en waar het dichtstbijzijnde westelijke land Argentinië is, staat een klein monumentje met een prachtig gedicht erop, en adem je de schoonste lucht van de wereld!

En dan naar Burnie; ook hier hebben ze een kolonie kleine pinguïns. We horen ze een stuk eerder weer dan we ze zien, zeker ook omdat een heel aantal jongen zich onder de vlonders die hier de stoep vormen, ophouden. En die roepen aardig luid aan papa of mama pinguïn dat ze trek hebben! Uiteindelijk staan we ruim een uur te kijken hoe de ouders zich uit de branding over de rotsen, een weg naar boven weten te vinden en hoe de jongeren hen aanmoedigen met een hoop gegil/gekrijs.

We volgen hun voorbeeld en genieten van heel goeie seafood hier. En dan gaan we onderweg naar Cradle Mountain! Onze laatste stop op het eiland en de omweg naar de berg lonkt. Tja, iets wat zo ongeveer op alle voorkanten van reisgidsen en minimaal de helft van alle ansichtkaarten hier staat, zal wel iets bijzonders zijn! Maar daarover de volgende keer meer!

 

Bekijk meer foto’s bij dit verhaal hier.

Heb je een mening? Of opmerkingen?