Zuid-West West Australië

Het Zuid-Westen van West Australië. Niet voor niets ook het vakantiegebied van de West-Australiërs. Bos wat de klok slaat hier. En rivieren. En weer zee! In tegenstelling tot het landschap wat we de afgelopen weken zagen. Dat was toch vooral landbouw op industriele schaal (het stuk tussen Perth en Norseman bijvoorbeeld was eigenlijk 1 groot graanveld met om de tiental kilometers een waanzinnige loods om al dat graan in op/over te slaan en een hele lange spoorlijn erdoorheen om al dat graan weg te voeren) of (nog) niet door de mens aangeharkte landschappen die heel droog/verzonnebrand waren.

Vanaf Perth rijden we de kuststrook langs de Indische Oceaan af verder naar het zuiden. Een aaneenrijging van slaperige dorpjes, gevuld met weekendhuisjes van Perthenaren. Hoop Franse plaatsnamen ook, deze kust werd als eerste verkend door een hele serie Franse schepen. Net als dat je ten noorden van Perth heel veel Nederlandse namen tegenkomt. Uiteindelijk komen we uit in het Leeuwin/Naturaliste (of alle twee de talen tegelijkertijd inderdaad) National Park. Ruige kustlijn hier met een hele hoop leven in het water; zeehonden, dolfijnen, walvissen en roggen als de meest zichtbare. In het achterland ligt hier de wijnstreek Margaret River. Ja, het werd inderdaad weer tijd voor nieuwe kaasjes/jammetjes en andere culinaire hoogstandjes in ons mini-koelkastje. Maar ook cultuur (;-)); zo maken we een stop in Yallingup, de geboorteplaats van het surfen in WA (wat inderdaad voor heel veel mensen hier een cultuur is!). WA heeft een heel aantal van de beste breaks ter wereld schijnt; helaas, ons plan om surfles te nemen valt in duigen als alle schooltjes nog dicht blijken te zijn (nog eentje voor de bucketlist dan maar). En ook heel veel natuur… langst, grootst, gevaarlijkst, oudst; ze lijken het er hier om te doen. Oudst? We leren nog wat ancient history: we komen langs een kolonie stromolieten. Nog nooit van gehoord, maar deze ‘wezens’, waarvan enkele die we zagen meer dan 2000 jaar oud zijn, zijn miljoenen jaren bezig geweest met het gereedmaken van de atmosfeer van de aarde voor planten en ander leven wat zuurstof nodig heeft. Er zijn op aarde niet gek veel plekken meer waar deze wezens nog in leven voorkomen; West-Australië heeft er drie van. Ze doen geen kunstjes, liggen vooral heel stil. Maar dat ze dat in sommige gevallen dus al duizenden jaren doen geeft wel even stof tot nadenken. Grootst? Na al die kust zijn we de bossen in gereden. De watervallen staan dan wel leeg, maar de bomen blijven het gewoon doen. De meestvoorkomende hier heten Karri’s: kaarsrechte bomen, per stuk tot 100 meter hoog, 300 jaar oud en schijnbaar tot wel 150.000 kilo zwaar! Uiteraard heel gewild voor hun hout, dus er werd flink op gekapt, maar er zijn er nog genoeg om hele bossen mee te vullen. Naast de man met de bijl is de andere vijand vuur: één van de bomen die vroeger door de brandweer vroeger werd gebruikt om bosbranden te spotten en zo hoog dus dat ie uitsteekt boven de andere karri’s is nog steeds beklimbaar. En ja, wanneer klom jij voor het laatst in een boom? Juist. Iets voorzichtiger doen we het tijdens de treetop-walk; een wandeling op hoogte door de kruinen van het bos. Fascinerend wat een leven er zich daar afspeelt! Een paar dagen rijden we, stijve nekken krijgend van het omhoog kijken, door die waanzinnige natuur. Maar, zoals altijd op onze reis; uiteindelijk openen ook deze wegen zich weer op zee; een paar dagen langs Greens Pool, Elephant Rocks, Shelly Beach (foto). Als de naam niet verklapte waarom het zo mooi was doet de foto het wel. Op Veronique’s verjaardag zitten we heel diep in het Fitzgerald Park.  Lastig voor te stellen hoe dit verstilde landschap met planten die niet hoger dan een meter of anderhalf zijn een heel belangrijke biosphere is (zo belangrijk zelfs dat het UNESCO erkend is). Toch is het zo ;-): meer dan 1700 soorten soorten planten en een enorm aantal vogelsoorten op maar liefst 3300 vierkante kilometer! Meer dan 160 kilometer rijden over niet al te best onderhouden onverharde weg om vervolgens de kampeerplek (aan een zee die echt te ruig is om in te zwemmen) te delen met een miljoen bijen. Prachtig uitzicht wel, maar we konden het doen met wat minder gezoem. Gebak dus maar even in de koelkast gelaten, maar wel onder een geweldige sterrenhemel geslapen.

We maken ons rondje af met een paar dagen in (weer) Esperance. Nemen even rust even alle indrukken en foto’s te verwerken. Eens naar de kapper, beddegoed, kleren en bus wassen etc. je weet wel; het huishouden zeg maar. En dan hebben we weer genoeg van al die drukte van de ‘stad’; omhoog, de outback in!

Een van de stops daarin is Kalgoorlie-Boulder; een kleine 400 kilometer verderop, diep in de outback (de plek waar het weiland ophoudt zeg maar, en de woestijn heeft gewonnen). Kalgoorlie wordt gezien als een van de outback successen. In 1893 struikelde het paard van een goudzoeker over een klomp oppervlaktegoud (yeah, right!), en zo begon hier de goldrush. Dat goud was al snel allemaal opgeraapt, en toen moesten ze de grond in; de mijnen. Er lopen hier ondergrondse gangen overal (oftewel, je wordt regelmatig afgeraden om de bossen/berm in te gaan), zelfs eentje beginnend in een kroeg… Veel van die losse mijnsuccessies zijn op een gegeven moment door 1 persoon gekocht en samengevoegd. Dat werd weer overgenomen door een Amerikaans/Canadees bedrijf en er werd besloten om het hele gebied van bovenaf open te graven. Een enorme put is het gevolg; het rijkste goud gebied ter wereld nog steeds! De put is tot 2020 verder uit te graven voor het goud op is schijnbaar. Tijdens een rondleiding door die ‘superpit’ worden we overspoeld met grote getallen; de mijn is nu bijna 400 meter diep en anderhalve kilometer in doorsnee. Vrijwel elke dag wordt er weer een stuk van de mijn opgeblazen. Dat puin wordt dan in een enorme vrachtwagen omhoog gereden; 40 van die enorme Tonka’s rijden er rond (en die zijn ruim een half uur bezig om beneden te komen in die put). Wat we onthielden is dat elke 6e vrachtwagen goud bevat en dan gemiddeld voor ongeveer een golfbal aan goud omhoog haalt. En al dat geknal, gegraaf en gerij vertaalt zich dan naar 4 miljoen dollar per dag!

Wel gek om te horen dat niemand eigenlijk weet wat ze straks moeten doen met dat gat…..een mooi recreatiepark ligt wellicht voor de hand maar ook al loopt het gat vanzelf vol met water (ook al duurt dan wel een kleine 50 jaar) dan is het ontstane meer zo giftig door alle middelen die de afgelopen 100 jaar in de grond zijn terechtgekomen dat je er zo’n beetje alles in op kan lossen…..dus met gemak ook zwembroeken, opblaasboten en visdraden. Ach, lijken ze te zeggen, we hebben nog een kleine 20 jaar om dat te beslissen. We merken wel meer van dat soort eco-onverschilligheid hier, en merken ook best wat korte termijnvisie op de mining boom. Ergens is het ook wel voor te stellen; het lijkt ook een soort ‘don’t bite the hand that feeds you’. De mijnen zorgen voor zoveel werk en welvaart (je wil niet weten wat je verdient in die mijnen! of misschien wel overigens…), en allerlei sociale voorzieningen als scholen, ziekenhuizen etc. die er anders nooit geweest waren. Maar ja aan de andere kant zorgt het ook voor grote verdeling in heel kleine gemeenschappen over bijvoorbeeld: wel of niet de miljoenen aanpakken die grote mijnbedrijven geven als vergoeding om op jouw land te gaan graven. Vanuit Aboriginal perspectief; land wat al 30000 jaar de plek is waar je geschiedenis leeft, waar al je verhalen een plek hebben en je voorouders leven. Of, en zeker niet los daarvan te zien, de ecologische impact die deze graaf, verwerk en vervoerpraktijken voor eeuwig hebben. In Kalgoorlie is het pleit al beslecht en zo zijn er nog een heel stel plekken in WA, maar vraagstukken als deze leven heel erg nu in de Kimberley bijvoorbeeld. Gebied waar wij nog moeten komen, een de meest onaangetaste (natuur-)gebieden ter wereld, en één van de dunbevolkte en armste regio’s van Australië. Maar; ook de plek waar nogal wat gas en olie gevonden is, en waar met heel wat geld gewapperd wordt om daar snel mee aan de slag te mogen gaan.

Goed, dat allemaal even terzijde; Kalgoorlie verder is een leuk stadje om even te zijn; in tegenstelling tot heel veel van de dorpen hier is het niet volledig uit golfplaat opgetrokken. Hier staan nog veel relatief oude gebouwen van steen zowaar (allemaal van rond de eeuwwisseling van twintigste eeuw); een prachtige schouwburg, stadhuis en heel stel enorme hotels.

Heel brede straten ook. Breed genoeg namelijk om een colonne kamelen te kunnen laten omdraaien; die werden namelijk gebruikt voor het vervoer van spullen door de droge landschappen hier. En, een bezoekerscentrum van de Flying Doctors…met vliegtuig! En, hoe erg we ook genieten van de leegte, de enorme luchten en zon hier; we weerstaan de verleiding om nóg verder noordelijk de outback in te rijden. En aangezien draaien toch zo makkelijk gaat hier; naar het westen weer, richting de zee!

 

Bekijk alle foto’s bij deze update hier

Heb je een mening? Of opmerkingen?