Gallipoli en Noord Griekenland

Eind augustus 2012 – Tijd vliegt; we zijn al weer een maand in Turkije, en deden een fractie van het land. Maar, wat zijn we onder de indruk: landschap, mensen, geschiedenis: we gaan dus zeker nog eens terug! Maar goed, het is nog niet voorbij: we nemen vandaag de veerboot naar het Gallipoli Peninsula. Na een heel kort tochtje over de Dardanellen belanden we ineens in een heel ander Turkije; veel groener, glooiender en vooral stiller dan eerder. Gallipoli: de plek waar in de Eerste Wereldoorlog de Ottomaanse en gecombineerde Frans/Engelse/Australische en NieuwZeelandse legers maanden vochten om toegang tot de Dardanellen. Belangrijk water hier namelijk; de smalle zeestrook is de enige manier om Istanbul, en dan via de Bosporus de Zwarte Zee (via waar de Russen (geallieerde bondgenoten) bevoorraad konden worden) te bereiken. De veldslagen die hier vanaf het water, maar vooral in de loopgraven op de heuvels gevoerd werden, kosten in 10 maanden aan meer dan 140.000 soldaten het leven.

Die campagne hier is een hele belangrijke episode in de geschiedenis van Turkije en Australië/Nieuw Zeeland. Dat merk je aan alles als je hier rondloopt. Turkse gezinnen komen hier de dag doorbrengen met picknickmanden en al. Er liggen bij de graven en monumenten nog steeds kransen en er worden door het jaar heen nog steeds kleine herdenkingen gehouden. Op ANZAC day, de dag van de landing komen duizenden mensen uit NZ en Australië naar Turkije en gedurende het jaar zijn er altijd wel Australische of Nieuw Zeelandse toeristen.

Nadat het ooit enorme en roemruchte Ottomaanse rijk in de 18e en 19e eeuw fors aan kracht, grondgebied en dus aanzien inboette en van alle kanten werd aangevallen was de overwinning (door terugtrekking van de geallieerde legers) een belangrijke aanwakkeraar van nationalistische gevoelens. Die gevoelens zouden uiteindelijk leiden tot de staat Turkije zoals we die nu kennen. Een van de belangrijkste commandanten van het Turkse leger bijvoorbeeld, Mustafa Kemal (later Ataturk), zou door (onder andere) de rol die hij speelde op Gallipoli zelfs de eerste president worden. Eenzelfde iets gebeurde aan de andere kant van de wereld: bij de Australiërs en de Nieuw Zeelanders (die beiden pas net onafhankelijk van het Britse koninkrijk waren en nog geen echte identiteit als land hadden ontwikkeld; Australië was pas net 1 land geworden ipv een verzameling staten) wordt de slag, en vooral het sentiment wat het aan het thuisfront veroorzaakte, wel gezien als het sleutelmoment voor de vorming van een nationale identiteit. ANZAC-day, de herdenking van de landing op Galipolli, is dan ook de belangrijkste feestdag in die twee landen. Einde les.

Het landschap is bezaaid met resten van loopgraven, monumenten van Turkse en geallieerde kant, en heel veel begraafplaatsen, klein en groot. Heel indrukwekkend, en doordat het al bijna 100 jaar een Nationaal Park is is het ook een prachtig wild landschap. We nemen twee dagen de tijd om alles te bekijken het helemaal op ons in te laten werken (inclusief het ultramoderne, multimediale en naar onze nuchtere kijk ietwat té nationalistische Turkse museum).

Een beetje bedrukt door al deze geschiedenissen, maar toch ook wel een beetje omdat wij de ‘verkeerde’ kant oprijden, rijden we verder naar het noorden. De weg is niet heel fascinerend, maar rijdt lekker door. Nit veel meer te zien onderweg, en voro we het weten zijn we in de buurt van de grens met Griekenland. We geven we onze laatste lira’s uit aan een wasbeurt voor Carl. (Oeps, zijn eerste pas in al die tijd!. Uiteraard rijdt ie nu een stuk soepeler, al was het maar omdat we kilo’s Italiaans, Grieks en Turks gruis en zand kwijt zijn.) Een stuk sneller dan de heenweg gaan we door de formaliteiten bij de grens. En vervolgens zijn we weer in Alexandroupoli; waar we een paar dagen genieten van het fijne einde-zomerweer op een camping die helemaal aan het leeglopen is.

Naast het genieten van de rust hier (en het bijna adopteren van een zwerfkatje) doen we niet veel: naast het zwemmen is er één noemenswaardige activiteit; een bezoek aan Dhadia National Park. In dit park kunnen 36 van de 38 in Europa aanwezige roofvogels gezien worden waaronder een aantal zeldzame gieren; dat wilden we dus wel eens zien!

De rit erheen gaat grotendeels door de ‘lege’ zone langs de Grieks Turkse grens. Weinig bereden wegen dus, waarbij de begroeiing aan beide kanten regelmatig net iets minder weg overlaat dan we breed zijn. Her en der worden bomen gehakt, maar behalve dat en wat sporen van rupsbanden zien we geen leven. Ook geen vogels dus, behalve die ene Vlaamse gaai die al vanaf Italië met ons meevliegt. Het nationale park blijkt te uitgedroogd om zelf te mogen verkennen (bosbrandgevaar en zo). Terwijl we wachten op de boswachter om ons te begeleiden bekijken we een prachtige film over het vogelbestand van het park. Een klein busje brengt ons uiteindelijk naar een uitkijkpunt. De gieren zijn aaseters, en die eten dus alleen dood vlees. Dat dode vlees is (door akkerbouw en bebouwing) steeds minder makkelijk te vinden in de buurt van de nesten. Om te voorkomen dat de ouders heel ver moeten vliegen, en dus te lang bij hun nesten wegzijn, worden een paar keer per week een aantal dode dieren neergelegd. We zijn (well, story of this trip) nèt niet op tijd voor het hele verse dode vlees, en zien dus niet heel veel bijzonder gevogelte, maar we hebben geluk en spotten wel een Egyptische gier, te beoordelen aan het enthousiasme van de boswachter een hele vondst!

We rijden terug langs de kust en de Evros-delta (ook een bekend vogelspotgebied). Hier liggen langs de weg een heel aantal stukken van de oude Romeinse weg van Brindisi naar Istanbul; de Via Egnatia. Belangrijke weg geweest hoor; hij verbond de Zijderoute in het oosten en de Via Appia in Italie en zorgde zo voor heel wat verkeer van goederen, maar vooral veel kennis, cultuur en incidenteel wat legers tussen oost en west.

De 2100 jaar nieuwere moderne variant van deze Via, de Odos (‘nieuwe’) Egnatia, is net een paar jaar open; een supergladde snelweg van Igoumenitsa (waar de boten uit Italië aankomen) via Thessaloniki tot aan de grens met Turkije. Deze zouden we nog wel een heel aantal keren tegenkomen op onze weg het Noorden door.

Maar, aangezien de tol op de snelweg nogal stevig is (niet gek ook; die 700 kilometer snelweg kostte rond de 8 miljard euro) en we toch geen snelheid hoeven of kunnen nemen wij lekker de oude provinciale wegen.

Over die binnendoorwegen (die je wel écht doen ervaren dat een snelweg nodig kon zijn) rijden we in een dag of drie naar het noord-oosten van Griekenland; via Thessaloniki, een bandenzaak in Kalambaka (voor toch maar een keer nieuwe voorbanden), en de Greek National Road, komen we aan in Ioannina, aan het Pamvotida-meer. Dat is de grootste plaats in de buurt van het Vikos–Aoös National Park. Daar vinden we een soort campingkje bij een roeivereniging aan het Pamvotida-meer.

Een dikke laag groene alg nodigt niet echt uit om erin te zwemmen, maar je moet wel iets met zo’n enorm meer doen. Dus we fietsen er een ‘savonds rondje half omheen. En ‘savonds, voor het eerst sinds Perugia maar liefst 3.5 maand geleden…regen! Gezellig geluid wel, tot we een lekje in de bus ontdekken..niet het enige in die bus wat ons zal laten opschrikken de komende dagen.

We doen een dagje niets, en rijden op donderdag (de 11e september alweer) naar het nationale park. De weg vanaf de provinciale weg omhoog langs de bergwand blijft maar klimmen en klimmen. Het  bezoekerscentrum wordt bemand door een zeer enthousiaste dame, die ons in extreem snel Grieks/Engels laat beseffen dat het park wellicht wat groot is voor een bezoekje van een dag. De eerste dag rijden we een rondje langs de resten van de oude wandelroutes door de dorpen. Verspreid in de vallei en over de bergen liggen een heel aantal kleine dorpjes. Toen er nog geen echte wegen waren, waren de dorpen verbonden door een soort geitenpaden, en de rivieren werden overspannen door een heel specifiek soort stenen bruggen. Klinkt niet echt boeiend terwijl ik het zo opschrijf, maar geloof me: de bruggen zijn prachtig om te zien, en aangezien het park al helemaal in herfstkleuren is gehuld en we zo ongeveer de enige bezoekers zijn in dit enorme park is het heel speciaal. Prim aplek voor carl ook trouwens om midden in dit park ineens niet meer te willen starten… Alle andere sleutels geprobeerd, brandstof is allemaal prima, zekeringen zitten goed. Verder geen verstand van bussen en dus geen idee dus wat het kan zijn. En dan ineens doet ie het weer. Spannend hoor, net ff iets tè. En dus, global warming ten spijt; de rest van de dag laten we de motor draaien als we even uitstappen om al die pracht te bewonderen. Op de camping aangekomen laten we de campingbaas een vriendje bij een garage bellen…..tot ik ineens een gloeilampje krijg; de radio immers doet ook al een paar dagen raar. Mmmm, lastig is het soms niet… twee aansluitingen in de elektrakast zijn ergens in de grindbakken van de afgelopen dagen losgetrild. Ach, snel het mannetje afgebeld en toch maar een dagje op de camping blijven staan om te kijken of mijn ‘reparatie’ ook echt het probleem oplost ;-).

Dat doet het en de dag erop doen we het tweede deel van het NP; de Gorge! Weer diezelfde heuvel op, alleen nu in de regen! En die regen zou de hele dag aanblijven….. maar, gelukkig is het droog op de juiste momenten; als we de enorme gorge vanaf verschillende plekken gaan bekijken. Deze gorge, schijnbaar (in verhouding hoogte/breedte (en dat is wat geldt voor Guiness)) groter dan de Grand Canyon), is heel, heel erg indrukwekkend. Honderden meters breed, en op sommige plekken bijna 1000 meter diep! Zo fors dat de uitkijkpunten een dag rijden uit elkaar vandaan liggen.

Prachtige uitzichten en geweldige wolkendekken die de gorge in en uit schuiven.Wel worden we verrast door een serie stevige regenbuien. En uiteindelijk regenen we doornat op een richel op 700 meter hoogte en zónder de beloofde beren en wolven om naar te kijken in de diepte.

 

Halverwege september intussen; op weg weer! Nog één dagje rijden we in Griekenland voor we Albanië doortrekken. Vandaag een klein stukje naar Plataria. We rijden nog een keertje door een natuurgebied, de grijze wolken laten we hier achter.

Het is hier zaterdag, en het jachtseizoen is blijkbaar geopend! Elke pickup die we zien zit vol met in groen en oranje gehulde mannen met vervaarlijk uitziende geweren. Weten we ook waar die beloofde beren en wolven gebleven zijn. We belanden in de buurt van Igoumenitsa, op een geweldige plek aan het strand, tussen de gevolgen van een storm van de dag ervoor…. (toppunt van dramatiek toch ook..een ingestorte tent in de regen en modder uitpuilend van speelgoed en natte badhanddoeken).

Bekijk alle foto’s van het tweede deel Griekenland hier.

 

Heb je een mening? Of opmerkingen?