Far West Outback

Sydney naar Melbourne via Broken Hill en Mungo National Park (2460km, 9 dagen)

‘Hoever omrijden zeg je?!!’

‘Ja, het is vast leuk toch, om dat eens in het echt te zien?’

‘Zeker weten dat we dat gaan doen?’

‘We zijn nou toch in de ‘buurt”

‘Ja, precies, wat zijn nou die paar dagen extra!’

En zo wijzen we de neus van de bus op 15 september, na 2 dagen weer in Sydney te zijn geweest, westwaarts: richting Broken Hill. Inderdaad, díe Broken Hill! Als je onze leeftijd bent grote kans dat de openingstune net al in je hoofd begon af te spelen en dat je je nu bedenkt hoe ‘ze’ ook al weer heetten ¹. Nou was Broken Hill zelf niet vaak in beeld, maar de hoge heren daar maakten het onze Flying Doctors in Coopers Crossing altijd goed lastig. We kwamen er al maanden geleden achter overigens dat dat dorp (ook wel bekend als Victor Charlie Charlie) helemaal niet bestaat, net als dat de meeste Australiërs onze fascinatie met de TV-serie Flying Doctors niet delen.

Broken Hill ligt bijna op de grens van New South Wales met South Australia, een kleine 1200 kilometer de Outback weer in. En aangezien we ons bedachten dat we nog 10 weken hebben op ons visum en we dit stuk Australie èn Tasmanië nog goed willen verkennen besloten we even een paar dagen kilometers te gaan vreten en beloof ik niet bij elk dorpsmuseum of tweedehandswinkeltje te willen stoppen.

We passeren de Blue Mountains-range. Bathurst - Mt. Panorama Motor Racing CircuitOnderweg komen we langs Bathurst. De plek waar het eerste goud van Australië werd gevonden, wat er een enorme boom veroorzaakte, en wat nog steeds een prachtige stad is met vele oude gebouwen die aan die hoogtijdagen doen herinneren. Maar, wellicht is het nog bekender door de aanwezigheid van het racecircuit, óver, óp, én Mount Panorama genoemd. Al vanaf 1911 wordt hier op een stratencircuit geraced. Gewoon openbare weg: met huizen ernaast, brievenbussen aan het circuit en tribunes en roodwitte blokken. En ja, dan moeten wij ons 2.4fsi’tje ook maar even ‘jagen’ door Brock’s Skyline, Forrest’s Elbow en de Conrod Straight. Wellicht de beste tijd ooit daar neergezet door een ‘Toyota HiAce Hightop met Nederlandse bestuurders’?

Als we een dag later een stukje verderop Wellington uitrijden komen we voor het eerst sinds weken weer echte regen tegen. Mooi groen ook ineens hier in de heuvels. Maar, na een kleine 200 kilometer bochtig parcours via Dubbo naar Narromine komen we weer in de echte outback terecht. Het lucht trekt helemaal open en het wordt vlak, geel en dor, met wijdse luchten erboven. Da’s ook direct het mooie van hier rijden, ook al zijn de luchten heel groot en is alles heel ver weg uiteraard, het voèlt door de leegte om je heen zo dichtbij dat je denkt de her en der aanwezige wolkjes aan te kunnen raken. Ondertussen hebben de kangoeroes en emu’s gezelschap gekregen van geiten. Wilde geiten wel te verstaan! Tientallen, nee, misschien wel honderden, lopen hier in de berm rond. De meesten hebben in de gaten dat auto’s te vermijden zijn, alhoewel een enkeling soms ineens de weg oversteekt. Opletten dus! Zeker nu het wat later op de dag wordt en ze aangetrokken worden tot het warme asfalt, de zon wat lager staat en de ramen al een tijdje niet geheel stof & vliegvrij meer zijn.

De dorpen liggen steeds wijder verspreid en zien er ‘armer’ uit. Behalve grootschalige schapen- en veeteelt is hier niets, en die bedrijven zijn in handen van een paar superboeren. Niet veel werkgelegenheid hier, en ook niet echt een route voor toeristen. Onderweg worden we gewaarschuwd dat de weg die we nemen niet de meest prettige is. En dit keer niet vanwege het slechte wegoppervlak, maar: ‘niet dat ik racistisch ben, echt niet…maar pas daar en daar maar op voor de blacks’. Tja.

In Wilcannia aangekomen denken dat dit dorp geheel verlaten is zelfs. Bijna alle panden zijn in erbarmelijke staat en veel ervan zijn dichtgetimmerd of tot de eerste verdieping voorzien van tralies; er staat geen auto geparkeerd in de hoofdstraat en behalve een hond is er geen levend wezen te bekennen. Maar goed, we reden al 620 kilometer en er moet hier toch ergens een camping zijn. En, als je even stilstaat, zie je dat het gemeentehuisje, de supermarkt  en de kliniek toch open zijn. Er is gewoon niemand om hier gebruik van te maken. Nou ja, bijna niemand dan, want her en der wordt er vanuit de schaduwen onder de luifels wel geïnteresseerd gekeken naar dat busje met nogal ‘out of state’-kentekenplaten. Blijft moeilijk om aan te wennen; het je blik ontwijkende, soms bijna schichtige gedrag van Aboriginals wat we ook al tegenkwamen in het heel dun bewoonde noorden. Heel verklaarbaar overigens: het (niet) in je ogen kijken, of juist stiltes nemen in conversaties, is een heel belangrijk onderdeel van de Aboriginal cultuur en omgangsvormen. En ja, daarnaast wordt er ook nogal veel gedronken hier op het platteland, waardoor mensen op straat soms ook niet in staat zijn om je (r)echt aan te kijken. Als je dan uit je cocon stapt na een eind reizen is dat even wennen!

Ook de camping blijkt leeg en verlaten, maar gaat voor ons open (en zelfs de huis-emu is vriendelijk). Prachtig gelegen aan de reden dat het dorpje hier ook is; de Darling. De rivier die min of meer eigenhandig zorgde voor de ontwikkeling van de outback; als transportmiddel en voor irrigatie onmisbaar. En helaas, zoals op zoveel plekken ook grondig gemismanaged door overbewatering van land. Dat betekent dat de rivier al niet meer zijn ouwe zelf is. En helemaal nu, na een recordbreaking droogte van meer dan 20 maanden is er heul weinig water in de toch vrij diepe waterloop te vinden. En dat, terwijl dit ooit de grootste binnenlandse haven van het land was! Dus tja, meer dan een stopover maken we er maar niet van vandaag.

Als we de volgende ochtend, na erg vroeg gewekt te zijn door een vogel die onze jerrycan reservebrandstof open probeert te pikken, wegrijden, zien we hoe er hier toch rekening wordt gehouden met het water: we rijden op een soort enorme betonnen dijk de ‘uiterwaarden’ van de Darling door…die krijgt hier nogal de ruimte zo ongeveer eens in de tien jaar. Er zijn zelfs een soort vluchtheuvels voor het vee in de catchment.

Gisteren reden we al een heel eind verder de far west outback in dan gedacht; gelukkig zijn we er dus bijna en dat komt goed uit, we waaien links en rechts bijna de weg af de laatste 200 kilometer naar Broken Hill. We vliegen letterlijk dus ook door de kilometers heen vandaag en gaan ook nog eens een half uurtje terug in de tijd. Want ook al ligt Broken Hill nog (net) in New South Wales, ze hanteren hier Australian Central Time, net als in South Australia en Northern Territory. Toen de tijden vastgesteld werden had Broken Hill alleen een directe treinlink met Adelaide en niet met Sydney. Vandaar. En tja, dat halve uurtje wat ze in South Australia sowieso weer minder hebben? Da’s weer een ander verhaal.

Goed, voor de lunch in Broken Hill dus, een klein stadje gebouwd tegen een énorme heuvel. Dat dat de enige berg in de buurt is komt omdat er naast die berg een enorm gat ligt; de open zilvermijn. En die berg? Die komt uit dat gat. De enorme rijkdom die dat gat leverde, de grootste zilvermijn van de wereld, is ook niet te missen… prachtige gebouwen hier in het centrum van de Silver City (waaronder een kroeg met een trap die direct de mijn ingaat); uiteraard in goede outbackstijl langs straten breed genoeg om een kamelentrein te laten keren; de eerste moskee van Australië uit 1890 voor die kamelendrijvers uit India en Afghanistan, afgewisseld met leegstaande jaren 60-shoppingarcades. Dat is dan wel alleen het centrum; in de omliggende straten kan je goed zien dat de meeste mensen hier niet zijn komen wonen om een voortuintje te onderhouden. Niet gek ook, de stad zit vol met mijnwerkers die ‘3 weken op/3 weken af’ werken; en bijna allemaal in die 3-af naar hun huis elders in Australië vliegen. Nadat we de koelkast hebben gevuld en een kampeerplek doen we verder niets; zeker niet omdat het op deze breedtegraad al om 1800 uur donker wordt. En dan ook heel snel koud; tja, woestijnklimaat.

We brengen een bezoekje aan de Day-Dream mine, een van de eerste mijnen hier in de buurt (nou ja, 20 k. buiten Broken Hill in de heuvels; hoe vinden ze de plekken toch ook altijd?) en nog grotendeels intact (en deels ook weer in bedrijf zelf). Een gekke verzameling van oude gebouwtjes, waar de excentriciteit van de huidige eigenaar ook wel in wordt gereflecteerd. We gaan op rondleiding met een oude mijnwerker die wel zijn baan als mijnwerker, maar niets van de onder de grond schijnbaar gangbare lompigheid kwijt is geraakt, maar wel heel veel weet! En dat graag wil vertellen!

We gaan een meter of 50 onder de grond in de oude gangen en worden overspoeld met anekdotes, weetjes en heftige verhalen over wat het werk onder de grond met een man kan doen. Heb in die smalle tunnels al snel in de gaten dat dit geen werk is voor mannen van 1.97 mtr overigens. We rijden een kilometer of 30 verder naar Silverton en beklimmen de Mundi Mundi-lookout, ongeveer de plek waar de weg in de rode woestijn doodloopt. Een geweldig uitzicht over de rest van de outback, maar wat ook Mars had kunnen zijn. Rood, woestijn, helemaal vlak voor zover je oog kan zien, en zo wijds dat je de aarde ziet krommen. Dat Silverton is een soort ghosttown turns artistic. Niet echt ons kopje thee, ook al hebben ze er een Mad Max-museum, maar nog wel een leuk fotomoment bij het stokoude stationnetje.

We besteden de rest van de middag om in Broken Hill van grote hoogte de open mijn in te kijken; de bedrijvigheid van al dat speelgoed beneden: kleine mannetjes die gaten aan het boren zijn en tientallen vrachtwagentjes vol erts die zichzelf in grote cirkels de kuil uitrijden is goed vermaak. We missen wel net de blast helaas…

En tja, dan zit je dus 1200 kilometer inland. Naar het westen kan niet, als we 200 kilometer doorrijden naar het noorden komen we weer op bekend terrein, maar zuidwaarts, daar ligt ergens Tasmanië. En aangezien we de afgelopen twee maanden zoveel gezigzagd hebben zouden we er zomaar eens aan het begin van de lente kunnen arriveren. Precies goed dus, op naar Melbourne, een kleine 1000 kilometer!


Onderweg hebben we nog 1 stop te maken. En uiteraard; ligt ook die niet op de meest directe route. Maar, voor een UNESCO Wereld Erfgoed rijden we graag weer een stukje om. In Lake Mungo National Park, een gebied van 250.000 hectare, liggen fossiele resten van een merensysteem uit het Pleistoceen. Langs die meren, toen het enige water zo ver in het binnenland, werd gewoond, gereist en gehandeld. Waar het toen vol met water stond en wellicht een drukte van belang was, is het nu dor, droog en uitgestorven hier. De meren zijn onderdeel van het stroomgebied van de Murray, maar lopen maar eens in de tientallen jaren vol. ‘sWerelds oudste rituele crematies (van ongeveer 45.000 jaar geleden) en meer dan 20.000 jaar oude voetafdrukken en wandelpaden zijn hier gevonden. De resten van mensen die hier worden gevonden zijn de oudst bekende resten van Homo Sapiens naast die uit Afrika. Een vondst die niet alleen voor de wereldgeschiedenis, maar ook voor de oorspronkelijke Aboriginal-bevolking heel belangrijk is geweest; al meer dan 45.000 jaar overleven op een plek als deze is iets waar je trots op mag zijn. En onvoorstelbaar om te bedenken hoe je met de natuur in contact moet staan om hier überhaupt te verblijven. Het doet denken aan een maanlandschap, met ongeveer net zoveel voorzieningen. Over maan gesproken; laten we nou net hier zijn op het moment dat er een supermoon te zien is! Genoeg kijkruimte om, met een glaasje wijn in de hand, vanaf een uitkijkpunt over het droge meer naar de vlakke einder te staren en die bloedrode maan te zien opkomen, zo groot en dichtbij dat je hem bijna aan kan raken. Ja inderdaad, dat aanraken van natuur is iets wat je hier wel leert waarderen! En zo gauw het echt donker wordt; miljarden sterren boven je hoofd!

De volgende dag al helaas, want een vrijwel lege koelkast, amper water nog aan boord en zeker geen supermarkt in de buurt, rijden we de 200 kilometer wasbord langs de vrijwel leegstaande Darling river weer naar het asfalt. Het busje haalt het, onze gebitten blijven ook zitten, en alleen een beetje melancholisch komen we in Mildura weer op het asfalt terecht.

Melancholisch, want ja; de Outback verdwijnt nu toch echt voor het laatst in onze achteruitkijkspiegel. Ook al verloopt de trip heel anders dan we in 2012 bedachten toen we hem uitzetten op de grote wereldkaart in de woonkamer, we komen in wel in de buurt van dat voor ons ondertussen bijna mythische einddoel. Tasmanië!

 

1. Weet je het al? Geoff, Kate, Tom, Mike, Sam, Zoë en niet te vergeten Nancy?

Heb je een mening? Of opmerkingen?