Diep de Pilbara in, en weer terug naar de kust.

Eind Maart/Begin April – We waren wel weer toe aan een ander uitzicht dan steeds maar dat water zoals de afgelopen drie weken (mwoah, eigenlijk helemaal niet…zeker gezien de temperaturen hier was het heeeeerlijk om die zee dichtbij te hebben… maar op een gegeven moment ga je toch weer verder. Exmouth is ook weer niet zo bruisend met zijn maar liefst 2 kroegen).

We besloten niet langs de kust naar het Noorden te blijven rijden, maar een omweg van een kilometer of 2000 te gaan maken en een aantal niet heel veel bezochte plekken in de Pilbara te gaan bezoeken. Landinwaarts dus. Eerst maken we een klein uitstapje de ‘landkant’ van het Cape Range National Park in. Cape Range NP - Charles Knife Rd.Paar dagen geleden wilden we dit al gaan bekijken om onze tot rozijnen gerimpelde snorkellijfjes even wat rust te geven, maar toen waren de twee toegangswegen gesloten wegens aerial goat/pig shooting. Tja, er zijn hier in het land (naast allerlei nasties die hier al woonden voor er überhaupt een mens voet zette) nogal wat plagen vanwege geïntroduceerde en/of vrijgebroken fauna (wilde exemplaren van buffels, konijnen, padden, honden, vossen, katten, maar ook geiten, schapen en varkens). En die worden met harde hand bestreden omdat ze de al best wankele balans in de natuur hier wreed verstoren. Het introduceren van natuurlijke vijanden van deze beesten is al een heel aantal keren nogal desastreus uitgepakt, dus nu gaat het er ouderwets aan toe: gif en geweer (en dat laatste dan bij voorkeur op zijn Tour of Duty’s vanuit de helikopter).

Maar goed, dat was dus een paar dagen geleden. Nu konden we dus ‘gewoon’ de Shothole en de Charles Knife Canyon in rijden. ‘Gewoon’ omdat de weg erin-/over- en doorheen al heel snel veranderd in een track wat ons busje nog maar net aankan. Prachtig ruig hier in maar ongeveer twee kleuren: rood en geel; moeilijk om te geloven dat er op nog geen kilometer hiervandaan aan de andere kant van deze reeks bergen die zee met zijn miljoenen kleuren koraal en vissen ligt.

Na al dat gehobbel werd het tijd voor wat ontspannen kilometers asfalt; en het busje vond het ook weer tijd voor een lange rit: de Pilbara dieper in dus. Muziekje en airco aan (nog niet eerder gebruikt die laatste, maar nu toch helemaal geen overbodige luxe). Als de Aboriginals die zelfs uit een rots nog water weten te krijgen een gebied droog noemen (Pilbara is een verbastering van bilybara, Aboriginal voor droog), dan is het ook echt droog! Behalve wat bizarre regenbuien na een uitzonderlijke tropische bui valt er amper neerslag en de regio is ook de houder van ‘werelds warmterecord. In Marble Bar zakte de temperatuur 160 dagen achter elkaar niet onder de 37 graden! Niet gek dus dat in een gebied van ongeveer 500.000 vierkante kilometer (ongeveer 15 keer zo groot als Nederland) maar 40.000 mensen wonen. En, dat wonen wordt dan al wel heel lang gedaan: ruim 35.000 jaar al wonen hier een aantal Aboriginal-stammen (alleen dé laatste 150 jaar niet echt ongestoord meer (hartverscheurende verhalen weer)). Vooralsnog zorgt die onbevolktheid er voor dat het hier ‘nog’ fijn ongerept is. ‘Vooralsnog’; de grondstoffen industrie, (de Pilbara wordt ook wel de machinekamer van Australië genoemd) is sinds een aantal jaren in hoog tempo de grond aan het omwoelen en uitgraven op zoek naar steeds meer ijzererts, gas en mangaan.

Twee dagen rijden verder en qua bewoning alleen drie benzinestations te hebben gepasseerd (zei ik al dat het hier uitgestrekt en leeg was?) arriveren we in Karijinni National Park. We kamperen middenin het park en wandelen een paar dagen diep de kloven in of er juist er omheen aan de randen. De zwembroek gaat elke keer mee, want een duik nemen in de poeltjes en watervallen halverwege een wandeling is erg welkom (zei ik al dat het warm is hier? In de kloof schiet het richting de 50 graden). Beetje huiverig zijn we wel om het water in te gaan, in het bezoekerscentrum hing een foto van een nogal forse slang die op het gemakje een kangoeroe aan het verdrinken was in de grootste waterval… We genieten hier, in dit 2.5 miljard jaar oude landschap, 1000 kilometer overal vandaan, van geweldige zonsondergangen, te grote sterrenhemels en de stilte. Opnieuw een plek om nooit te vergeten. 
Realiteit klopt aan als de koelkast leeg en het water bijna op is. We rijden naar Tom Price, het dichtstbijzijnde dorpje; ooit gebouwd door de mijnmaatschappij BHP. Vrijwel alle dorpen hier in de Pilbara zijn zo ontstaan, in de jaren 60/70/80 uit de grond gestampt en pas sinds een paar jaar niet meer een ‘gesloten stad’. Nu dus ook voor gewone mensen, ook al is er behalve boodschappen doen eigenlijk niets te doen hier. Een redelijk surreëel gezicht, honderden kilometers elke richting op ruig rood landschap wat maar een paar millimeter regen per jaar krijgt, en dan ineens een dorpje inrijden waar de gazonnetjes voor de in een net rijtje staande huizen diepgroen zijn. De auto krijgt een goeie doorsmeerbeurt, wij halen boodschappen voor de week die het ons gaat kosten om weer een beetje in de bewoonde wereld te komen en we halen de vergunning om de company road naar de kust te rijden. Alle erts die hier de grond uit wordt gehaald wordt (ruim 300 miljoen ton per jaar: yep, 300000000000 kilo!) via een spoorlijn naar verwerkingsfabrieken en grote havens in Dampier en Karratha gebracht voor het overgeladen wordt op schepen met als voornaamste bestemming China. De onverharde weg die gebruikt wordt om de spoorlijn te onderhouden en allerlei groot materiaal te vervoeren naar de mijn is ook voor ons burgers te gebruiken wat dan bijna 50 kilometer rijden scheelt. Maar, omdat het priveterrein is, is een permit nodig. Die is niet heel moeilijk te krijgen: bekijk 15 minuten video over de gevaren van op onverharde weg rijden met groot industrieel materieel met haast om je heen, onderteken een verklaring dat je niet zal stoppen onderweg, nergens tegenaan zal rijden en begrijpt wat je zag (wat overigens voornamelijk samen te vatten is met: ‘als je niets met de mijn van doen hebt ga je snel en heel ver aan de kant voor alles en iedereen wat jouw richting opkomt’) en overhandig een kopie paspoort.  De weg is 250 kilometer onverhard rood zand. Links ‘niets’, rechts een spoorlijn. De ene na de andere kilometerslange ertstrein komt ons leeg tegemoet of haalt ons vol heel langzaam in. 

En dat is eigenlijk ook het enige dat gebeurt. Geen grote machines die ons de berm in drukken, geen in slaap sukkelende mijnwerkers of te hard rijdende ‘burgers’, geen regen in tijden dus geen water over de weg; gewoon een heel eind in een haast rechte lijn, op het meditatieve af, onder een strak blauwe lucht naar de kust hobbelen. 
Van binnen en van buiten gecoat met een dikke laagrood zand komen we aan in Dampier, waar we overigens niet opvallen, want alles is hier gehuld in een dikke laag van hetzelfde stof.
Voor het eerst in weken vallen we niet in slaap onder een enorme sterrenhemel met vogel of andere natuurgeluiden maar met de lichten van de overslaghavens en de dreun van dieselmotoren van enorme schepen aan de pier op de achtergrond.
Bekijk alle foto’s bij deze update hier

4 thoughts on “Diep de Pilbara in, en weer terug naar de kust.

Heb je een mening? Of opmerkingen?